6 Hechting

Hoe werkt het hechtingsproces nu precies?
bowlby-johnHet wordt door Bowlby als volgt beschreven :
Het hechtingssysteem is een gedragssysteem die de hulpeloze baby in staat stelt zich te ontwikkelen als individu binnen onze soort : de mens.
Angst is een signaal voor dreiging in de omgeving en heeft dus een beschermende functie : we moeten onszelf in veiligheid brengen om te kunnen overleven.
Als baby zijn we hulpeloos en aangewezen op onze zorgfiguur om ons te beschermen en veiligheid te brengen. Het angstsysteem activeert dus hechting met een hechtingsfiguur die ons het gevoel van veiligheid moet brengen telkens wij tekenen van angst vertonen, als baby beginnen we bijv. te wenen.
Door de voortdurende interactie met de hechtingsfiguur leert de baby te hoge arousal reduceren en veiligheid ervaren.
Eerst lijkt alles in de buitenwereld hem beangstigend maar gaandeweg leert de baby zijn Window Of Tolerance vergroten door telkens veiligheid te ervaren.
Naarmate het kind zich verder ontwikkelt, werken 4 gedragssystemen op elkaar in: het angstsysteem, het zorgsysteem, het nabijheidzoekend gedragssysteem, het exploratief gedragssysteem.
Samengevat leert het kind zich steeds verder, steeds zelfstandiger van zijn hechtingsfiguur te verwijderen, met de wetenschap dat het steeds naar veiligheid kan “vluchten”. Zo wordt het ondervinden van de mogelijkheid om angst te controleren, om zichzelf dus op emotioneel vlak te kunnen reguleren, de basis voor het ontwikkelen van een zelf-gevoel, een ego, een ware zelf.
Het ontwikkelen van een goed angstregulerend systeem is dus essentieel voor brede tolerantie, dit wil zeggen : om moeilijkheden in het leven het hoofd te kunnen bieden, trauma’s op een juiste manier te kunnen verwerken en te groeien, en dus steeds beter te functioneren.
Het toepassen van dit angstregulerend systeem gebaseerd op hechting is dus een fundament voor het kunnen op een juiste manier omgaan met alle dingen die ons in ons leven overkomen. Binnen de Window Of Tolerance is men in staat tot leren, inzicht krijgen en verwerken.
Het hechtingssysteem wordt bij alle belangrijke fasen waar interactie tussen individuen plaatsgrijpt opnieuw toegepast . Baby wordt individu, puber wordt volwassene met eigen ego, “los” van de zorgfiguren, en, essentieel voor het voortbestaan van onze soort, twee individuen vormen een paar waar elk ego tot z’n recht mag komen.
Ook alle vriendschappen en sociale contacten zijn een zoeken naar het evenwicht : “het is hier veilig om mezelf te zijn”. Of : “ik ben waardevol”, de behoefte aan waardering ter bevestiging dat we er mogen zijn als individu.
Deze signalen vanuit de omgeving hebben wij constant nodig. Is de basis echter fout, dan kan de nood aan bevestiging buitensporig zijn.
Het goed lukken van het hechtingsproces als baby zorgt voor een “veilig hechtingspatroon”: de persoon functioneert goed als mens, heeft voldoende sociale vaardigheden en kan adequaat omgaan met moeilijkheden.
Studies in de VS wijzen uit dat daar ongeveer 50% van de mensen beschikken over veilige hechting. Het zou kunnen dat deze cijfers ook voor Europa grotendeels overeenkomen.
We kunnen, gezien de vele psychische problemen waarmee heden ten dage geworsteld wordt en het feit dat de maatschappij fallisch-narcistisch is, echter vermoeden dat het cijfer misschien zelfs kleiner is.
Het betekent sowieso dat het zeker voor de helft van de mensen al misloopt. Zij hebben een onveilig hechtingspatroon waarin we kunnen onderscheiden :
angstig-vermijdend hechtingspatroon : zijn vermijdend, zijn gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft omdat ze bang zijn afgewezen te worden, ze denken van zichzelf dat ze niet goed genoeg zijn. Sterke gereserveerdheid en afstandelijkheid, minimaliseren positieve effecten van vroegere ervaringen of hebben er een slecht geheugen voor, neigen tot het idealiseren van de ouders, houden gevoelens op afstand en zien hun emotionele onafhankelijkheid als een kwaliteit.
Als kind zoeken ze geen steun en troost bij de moeder, bij angst voor gevaar gaan zij zich ergens achter verstoppen i.p.v. naar hun zorgfiguur te lopen, doen alsof ze bij scheiding geen pijn of geen angst kunnen voelen (dissociatie), de relatie met de hechtingsfiguur wordt minder en minder belangrijk.
Angstig-ambivalent hechtingspatroon ,ook angstig-obsessief genoemd : willen zich heel erg binden, zijn eveneens gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, willen samensmelten met de partner, maken zich erg veel zorgen of de partner wel van hen houdt, in intieme relaties neiging de partner te verstikken met die versmeltende relatie, overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen, komen moeilijk los van ouders waarop ze nog steeds boos zijn of die ze nog steeds willen behagen, hyperalert voor tekenen van steun, acceptatie, goedkeuring, afwijzing, soms bodemloosheid (het is nooit genoeg).
Als kind reageren ze sterk op scheiding, ze zoeken wel contact met hechtingsfiguur maar zijn boos of moeilijk te troosten
Gedesoriënteerd hechtingspatroon, ook gedesorganiseerd of afwijzend-vermijdend genoemd : hoog vermijdend gedrag, maken zich geen zorgen, zijn niet bang, willen hun onafhankelijkheid bewaren, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft, ongeloof in de realiteit van vroegere gebeurtenissen, kunnen tijdelijke bewustzijnsveranderingen hebben, dissociatieve kenmerken,raken in verwarring bij verlies en scheiding, kunnen geen afscheid nemen, hebben moeite met dingen wegdoen, vaak borderlineproblematiek .
Als kind zijn ze niet in staat om op scheiding of dreiging adequaat te reageren, hebben chaotisch gedrag, kunnen niet met stress omgaan.
– Daarnaast bestaat ook nog de volledige onthechting : zij zijn zo beschadigd dat geen hechting meer mogelijk is.

Hoofdzaak is hoe zij met de angst omgaan, enerzijds de angst om gescheiden te zijn van hun hechtingsfiguur die hen veiligheid moet geven, “angst om hechting te verliezen”, anderzijds de angst om zichzelf niet te kunnen zijn en dus afgewezen te worden, dus de “mogelijkheid tot onthechting verliezen” die ze nodig hebben om een eigen “zelf” te kunnen worden.
We zouden kunnen stellen dat vermijdend hechtingsgedrag erop wijst dat men geen vertrouwen heeft in een ander en enkel op zichzelf vertrouwt. Hier kan men kenmerken van anaal gedrag in zien : zich afzetten tegen de anderen. Opmerking hierbij is dat men meestal zichzelf nog niet kent, maar men trekt zich liever terug “in zijn schelp”dan beroep te doen op anderen.
Vermijdende mensen krijgen soms het gevoel gevangen te zitten, dit zowel in werkelijkheid wanneer op een bepaald moment iemand hen te veel “vast”houdt, nl. een houding aanneemt gelijkend op die van de ouder die hen niet genoeg liet zichzelf zijn, als in hun verbeelding , wanneer zij er door de vroegere ervaringen onbewust van overtuigd zijn dat ieder ander een bedreiging is voor de ontplooiing van een “zelf”.
Sterk afhankelijk gedrag kunnen wij zien als enkel vertrouwen op de andere en niet op zichzelf, dus geen zelfvertrouwen hebben. Dit zou eerder wijzen op oraal gedrag : steeds bewijzen vragen dat men de moeite is, aandacht van de anderen vragen om bevestiging van zichzelf .
Voor borderline –type mensen zijn de angsten uitgesproken :
fusie-angst , de angst om zichzelf in een ander te verliezen maakt dat zij juist degene vermijden of van degene wegvluchten, aan wie ze het meest gebonden zijn. Dit bemoeilijkt constant relaties of maakt ze onmogelijk. De fusie-angst heeft trekken van traumatische angst.
Separatie-angst is een vorm van signaalangst : men vreest te worden verlaten. Daar deze angst met de vroege ontwikkelingsstadia samenhangt is hij vaak bijzonder heftig. Kuiper verwijst naar Bowlby voor het type dat met verhoogde separatieangst reageert : aanklampend, afhankelijk, overgevoelig voor verlating, neigend tot pathologische rouw .

In de DSM IV spreekt men, naast de ontwijkende en de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en de borderline stoornis, ook nog van diverse persoonlijkheidsstoornissen zoals de paranoïde, de schizoïde, de schizotypische, de antisociale, de theatrale, de narcistische en de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Blijkbaar kunnen eveneens kenmerken uit verschillende patronen in één en dezelfde persoon voorkomen. De DSM IV vermeldt deze in de restgroep van de “Persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven “: “ Deze categorie dient voor stoornissen in het persoonlijk functioneren die niet voldoen aan de criteria van één van de specifieke persoonlijkheidsstoornissen. Een voorbeeld is de aanwezigheid van kenmerken van meer dan één specifieke persoonlijkheidsstoornis, terwijl niet voldaan wordt aan alle criteria van één van deze stoornissen afzonderlijk (gemengde persoonlijkheidsstoornis), terwijl ze met elkaar toch in significante mate lijden veroorzaken of beperkingen in één of meer belangrijke gebieden van functioneren (bijvoorbeeld sociaal of beroepsmatig).”
Bij de doorsnee, minder uitgesproken type mensen lijkt het erop dat er ook verschillende gradaties kunnen voorkomen, naast het optreden van kenmerken uit verschillende patronen terzelfder tijd.
Ik vermoed dat de reactie van beide zorgfiguren, zowel de mama als de papa, een invloed hebben op het al dan niet voorkomen van eigenschappen , en dat zelfs kenmerken zich kunnen voordoen die zich normaal zouden uitsluiten, zoals afhankelijk gedrag naar de ene persoon en vermijdend gedrag naar een ander. Hier kan het effect spelen dat een kind, naast het ontwikkelen van een eigen manier van coping, eveneens reageert op beide ouders.
Elke ouder heeft zich immers ook een patroon van reageren eigen gemaakt dat invloed heeft op hoe zij of hij omgaat met het kind. Ik denk dat het ontvangen van veel negatieve strokes of het ontbreken van strokes bepalend zijn voor hoe ernstig het kind zich afgewezen voelt door de ene of de andere ouder en dus zelf met meer afweersystemen voor verdringing van die angst zal reageren.
Later kan die grote frustratie, zoals eerder vermeld, aanleiding geven tot het revanche principe : zij zullen vaak aangetrokken zijn tot een partner die kenmerken heeft van hun frustrerende ouder, in de hoop dat zij deze partner op andere gedachten zullen kunnen brengen en zo de frustratie ongedaan zullen maken. Revanche is eerder zich afhankelijk opstellen.
Mijns inziens kan de frustrerende ouder dus zowel de moeder of de vader zijn. Zijn er frustraties met beide, dan kan men dus zowel aangetrokken zijn tot iemand die op de moeder gelijkt als revanche zoeken met iemand die op de vader gelijkt. Soms zien we dat de partner eigenlijk kenmerken van beide ouders tegelijk bezit, soms is het functioneren op één bepaalde wijze sterk uitgesproken en verwijst duidelijk naar één ouder.
De vermijdende houding kan variëren van het niet durven aangaan van relaties met personen die op de frustrerende ouder gelijkt, tot zich weinig engageren in relaties in’t algemeen, om zichzelf de pijn van het stuklopen te besparen.

Advertenties

opmerkingen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s